Donderdagavond 30 juli vertrekken John en ik richting Bosnië.Het voelt vreemd en leeg. Door het overlijden van Albert is Lilian er niet bij.
Dit vreselijke bericht krijgen we die ochtend te horen. We hebben overlegd en uiteindelijk besluiten we om tóch te gaan,
met Albert en Lilian in onze gedachten.
Achttien uur later komen we aan.
Moe van de reis en na een douche zonder warm water gaan we op bed liggen om een beetje uit te rusten. Dat duurt nog geen vijf minuten,
ik wíl niet uitrusten, ik wil naar het asiel!
Oude kleren aan en hup de auto weer in, op naar de hondjes!!
Als we bij het asiel aangekomen weet ik niet hoe snel ik de auto uit moet komen. Ik zie gelijk al nieuwe hondengezichtjes hard kwispelend
achter het grote hek. Eenmaal door het hek en zittend op mijn knieën komen ze aangerend, wat een schatjes, allemaal even vrolijk!
Dan komt Svjetlana aangelopen en een dikke lange knuffel volgt.
Dan ga ik alle honderdnegenendertig hondjes langs en ben blij ze weer te zien.
’s Avonds komen Fred, Suze en Winan en samen eten we wat, dan gaan we slapen om morgen weer op tijd naar het asiel te gaan.
De volgende dag verblijven we op het asiel in Orasje.
De mannen houden zich bezig met klussen, Suze heeft een hoop te bepreken met Svjetlana en gelukkig is kennis Amir op het asiel en
kan alles vertalen. Suze en Svjetlana gaan naar de dierenarts met de drie kleine bruine pupjes. Ze zijn nogal zwak en eentje blijkt nogal ziek te zijn.
Winan en ik beginnen met schoonmaken van de puppiekennels, een kennel van gaas te voorzien en kunnen tussendoor Suze helpen door foto’s te maken
en bepaalde honden te observeren.
Aan het eind van de dag gaan we om de beurt bij Yusuf langs, de man van Svjetlana. Hij is erg ziek en het doet pijn om hem zo te zien,
wetende dat hij niet meer beter worden zal.
Zondagochtend gaan we al vroeg naar het asiel.
Eén van de drie kleine bruine pupjes heeft het helaas niet overleefd.
Na deze verdrietige gebeurtenis gaan we toch weer verder met onze werkzaamheden en in de middag vertrekken we richting Zenica.
In het centrum van Zenica hebben we afgesproken met Jelena.
Terwijl we staan te wachten zien we een straathondje onder een auto liggen, en oh, daar nog een hondje en daar nog meer.
Overal zien we hondjes. Ik schrik ervan als ik zie hoe mager ze zijn, hoe bang ze zijn en voorzichtig de kat uit boom kijken.
Snel halen we voer uit de auto en proberen hun vertrouwen te winnen.
Als ze doorhebben dat we hun geen kwaad willen doen komen ze langzaam dichterbij en genieten van een waar hondenmaaltje.
De volgende morgen gaan we mee met Suze, zij heeft een afspraak met een dierenarts in Zenica over een mogelijk sterilisatie-project.
Daarna heeft Suze een afspraak met een filmster uit Bosnië en wij gaan mee. Deze filmster zet zich in voor dieren en heeft een groep
mensen achter haar staan die haar hierbij helpen. De groep heet SAPA, Jelena zit ook in het bestuur van deze organisatie en Snezana, de filmster, is de voorzitter!
Ik hoor hier de meest vreselijke verhalen, ik wordt misselijk als ik hoor dat de plaatselijk dierenarts bij een hond, waar de baarmoeder eruit hing,
deze gewoon doodleuk af wil snijden!!!!
En een man had pasgeboren pups gevonden en de moeder lag er dood naast. Haar keel was met een mes doorgesneden door...een jongen!!!!
Dit zijn, erg genoeg, incidenten die aan de lopende band plaatsvinden.
Dat er mensen bestaan die zulke dingen kunnen doen, ik kan het niet horen, ik voel een woede opkomen die ik niet kan omschrijven...

V.l.n.r. Jelena, Suze, Snezana(voorzitter SAPA), Winan, Cokkie, Fred en John
Eind van de middag gaan we richting Sarajevo.
’s Avonds hebben we nog een afspraak en dan zit de dag er weer op.
De volgende morgen komt Jelena ons ophalen en gaan dan naar het asiel in Sarajevo. Onderweg kijk ik naar buiten,
in de drukke stad zoeken mijn ogen alleen maar hondjes en helaas zie ik ze volop maar kunnen we niet stoppen in het drukke verkeer.
Ik hoop maar dat ze wat te eten vinden en een veilige slaapplek hebben voor de nacht.
We komen aan bij het asiel en begroeten Goga, de dame die het asiel runt.
Ik ga het hek door, gelijk al zie ik twee honden, zij zitten met een ketting van anderhalve meter aan hun hok vast.
Ik begrijp al snel dat zij hier 24 uur per dag aan vast liggen, mijn hart breekt.
Verdrietig loop ik verder, dan zie ik drie lange rijen met kennels.
Een luid geblaf en allemaal hondensnuitjes komen door de kennelhekken.
Als ik bij de eerste kennel kom schrik ik.
Wat een kleine kennel is dit. Ik schat dat de kennel twee bij één meter is. En daarin staat een groot hondenhok.
Er blijft weinig ruimte over voor de hond om te bewegen.
Als ik verder loop zie ik dat ze dit allemaal hebben, in elke kennel zit één hond. Als ik dan ook nog hoor dat ze hier nooit uit mogen, nooit eens lekker kunnen rennen, nooit eens kunnen spelen met andere honden, dan breekt mijn hart opnieuw. Ik voel me raar, verdrietig, boos, wat is dit voor iets?
Het lijkt een gevangenis, ik krijg zo ontzettend veel medelijden met deze arme stakkers. Ze hunkeren naar aandacht, ze krijgen veel te weinig beweging en veel te weinig liefde.
De hokken liggen vol met hun eigen ontlasting, ik kan het niet aanzien.
Sommige honden reageren agressief als ik langs loop en ik kan het mij voorstellen, ik zou waarschijnlijk hetzelfde doen als ik niks verkeerd had gedaan en dan voor jaren wordt opgesloten.Hier moet écht veel gebeuren, dat is wel duidelijk!!
Ik begrijp dat we hier in september gaan beginnen met klussen.
Terwijl ik met Winan de hokken van de pups schoon ga maken wordt er door de rest druk overlegd over wat hier allemaal moet gebeuren.
Ik krijg dit nare gevoel niet uit mijn hoofd.
De volgende dag gaan we naar Bihac waar Elvira woont.
Daar aangekomen gaan we met haar mee naar een berg, een stuk verderop. Daar zien we overblijfselen van de oorlog, kapotgeschoten huizen, mensen die zijn gevlucht.In die huizen leven nu vaak roedels honden, zo ook in het huis waar Elvira ons naar toe brengt.
Ik ga naar binnen en kijk om het hoekje. Ik weet opnieuw niet wat ik zie.
Een moederhond, veel pups en nog een paar honden die niet van haar zijn maar daar ook wonen. Elvira brengt deze honden elke dag eten en drinken.
We helpen mee en alle honden worden gelijk ontwormd.
Ik zou ze zo graag allemaal meenemen, een goed leven willen geven, maar dat gaat natuurlijk niet.
Elvira brengt ons naar nog meer plekken en overal brengen we voer bij de zwerfhonden.
‘s Avonds lig ik in bed en ik denk weer aan de honden in het asiel in Sarajevo..........
We zijn vroeg wakker. Suze heeft ook hier een afspraak met de plaatselijke dierenarts over een sterilisatieproject.
’s Middags hebben we een gesprek in Banja Luka met mensen van het leger over mogelijke hulptransporten van Nederland naar Bosnië.
Daarna gaan we weer richting Orasje waar we in de avond aankomen.
Moe van al het gereis door heel Bosnië en wetend dat morgen de laatste dag is, val ik in slaap.
Vrijdag, nog een halve dag op het asiel, alles in orde maken voor de reis terug. Benches passen in de auto’s, nog snel wat foto’s maken, hondjes knuffelen en beloven dat we snel terug komen.
Iedere reis kijk ik terug en denk ik aan de hondjes in het asiel in Orasje, die het daar best goed hebben.
Het is niet te vergelijken met een leven zoals de honden het bij ons hebben, maar toch....
Na deze reis voel ik me anders, leeg....... ik heb het beeld van de honden in het asiel van Sarajevo op mijn netvlies staan...............